Ingenieurskunst

‘Papa, kom je mee samen spelen? Opa en ik gaan een dam bouwen.’

We staan op een camping in Luxemburg, aan een kabbelend, ondiep riviertje. Campinggasten laten zich loom op luchtbedden door de stroom meevoeren. Mijn zoontje staat tot zijn knietjes in het water, te prutsen aan een door eerdere gasten gemaakt strekdammetje.

‘Dat is goed, papa komt er ook in.’

Ik stap het frisse water in en begin met stenen te slepen. Al snel heb ik de situatie geanalyseerd. Het dammetje is zo lek als een mandje en is niet breed genoeg om de rivier echt sneller te laten stromen. Als we de dam ophogen en verder de rivier in leggen, moet het mogelijk zijn om die luchtbedritjes wat spannender te maken. Ik bedoel, wij zijn Nederlanders, makers van de Deltawerken, bedwingers van zeeën, temmers van getijden. En ik heb ook nog eens in Delft gestudeerd. Oké, misschien geen Civiele Techniek, maar ik zal daar toch íets van meegekregen hebben.

 Wij zijn Nederlanders, makers van de Deltawerken, bedwingers van zeeën, temmers van getijden. En ik heb ook nog eens in Delft gestudeerd

In een mum van tijd hebben opa en ik het bestaande strekdammetje versterkt en opgehoogd.

‘Mama en ik gaan een ijsje halen. Ga je ook mee?’

‘Nee, wij zijn nog even bezig. Gaan jullie maar.’

Nu wordt het tijd om de dam te verlengen en aan de overkant ook een strekdam te maken. Het is een flink gesleep, maar het water begint allengs sneller te stromen.

‘Papa, we zijn terug, ik wil helpen.’

‘Ga maar aan de kant, jongen. Kijk maar even wat opa en ik doen.’

‘Maar opa is helemaal niet meer aan het bouwen.’

Hij heeft gelijk. Opa vindt het best en zit in zijn klapstoel van de zon te genieten.

Ik ga door, want de strekdam aan de overkant moet nog versterkt en de dam die we als eerste hebben aangelegd, moet verlegd om de stroming beter te geleiden en er moeten wat stenen van de bedding worden gevist waar luchtbedden tegenaan kunnen lopen.

Als ik klaar ben, is het gezapig kabbelende stroompje veranderd in achtbaanachtig wildwateravontuur. Dat niemand dit eerder heeft gedaan. Daar heb je dan kennelijk toch die Nederlandse ingenieursmentaliteit voor nodig.

‘Papa, we gaan eten, kom je?’

Ik stap uit het water en schuif aan.

De volgende middag sta ik trots te kijken naar mijn bouwwerk. Mijn vriendin komt naast me staan. ‘Mooi hè?’, zeg ik.

‘Ja’, zegt ze. ‘Ja hoor.’

‘Ja hoor?’ Wat krijgen we nou? Dit is pure ingenieurskunst! ‘Vind je het niet mooi dan?’

‘Jawel’, zegt ze, ‘maar er is vandaag de hele dag nog niemand op een luchtbedje komen langsdrijven. Ze durven niet meer, het gaat veel te hard.’

Ze heeft gelijk. In plaats van te genieten van mijn geschenk aan de camping, mijn Piraña-wildwaterbaan, waden mensen langs tot ze bij een rustiger gedeelte van het riviertje zijn. Zuchtend breek ik mijn Deltawerken weer af. Mijn zoontje staat aan de kant te kijken. Hij komt het water in en pakt mijn hand.

‘Kom je dan nu spelen, papa?

Deze column verscheen in het tijdschrift De Ingenieur (nummer 9, september 2016)